De stille getuigen van het verleden
Wie over de EEG Boulevard aan de westkust van Bonaire rijdt, ziet een beeld dat naadloos aansluit bij de gemiddelde vakantiefolder.
Pickup trucks met duikflessen achterin sieren het straatbeeld, windsurfers glijden over de turquoise wateren van Sorobon en eco-resorts bepalen de kustlijn.
Bonaire heeft de reputatie van een onbezorgd, relaxed en vooral ongerept eiland.
Achter dat moderne vakantie-eiland schuilt een landschap dat diep getekend is door het verleden.
Onder de oppervlakte van het bloeiende ecotoerisme ligt een gelaagde geschiedenis. Van de oorspronkelijke Caquetío-indianen en de Spaanse overheersing tot de grootschalige Nederlandse zoutwinning en slavernij: het verleden van Bonaire is een tastbaar onderdeel van het eiland.
Het bepaalt hoe de lokale cultuur in elkaar steekt, hoe het landschap eruitziet en hoe je het eiland als bezoeker ervaart.
De eerste bewoners en de ruige oostkust
De geschiedenis van Bonaire begint lang voor de komst van de Europeanen. Rond het jaar 1000 staken de Caquetío, een stam van de Arawak-indianen, vanuit het huidige Venezuela in kano’s de zee over naar Bonaire.
Zij noemden het eiland Bonay, wat ‘laag land’ betekent. Zij leefden van de visvangst in de riffen en lieten sporen achter die nog altijd te vinden zijn.
Wie een tocht maakt naar de ruige, onherbergzame oostkust van het eiland, een gebied dat alleen fatsoenlijk begaanbaar is met een stevige pickup truck of 4×4, stuit bij Spelonk en Onima op eeuwenoude rotstekeningen.
Deze dieprode inscripties, aangebracht met natuurlijke pigmenten op kalksteenwanden, zijn nog altijd in opmerkelijk goede staat.
Voor het toerisme zijn deze locaties waardevol. Ze laten zien dat Bonaire meer is dan strand alleen.
Cultuurtoeristen zoeken doelbewust deze plekken op, ver weg van de resorts, om een glimp op te vangen van de allereerste eilandbewoners.
Rincon: het historische hart
In 1499 claimden de Spanjaarden Bonaire. Ze verklaarden het, samen met Curaçao en Aruba, tot Isla Inútil (nutteloos eiland), omdat er geen goud of zilver te vinden was. De indiaanse bevolking werd weggevoerd om te werken in de mijnen van Hispaniola.
Bonaire werd veranderd in een grote veehouderij; de Spanjaarden lieten geiten, ezels en paarden los, waarvan de nakomelingen nog altijd over het eiland struinen.
Om zichzelf te beschermen tegen de dreiging van piraten en kapers, stichtten de Spanjaarden een nederzetting diep in het binnenland, verscholen in een dal tussen de heuvels: Rincon. Dit is het oudste dorp van de Nederlandse Antillen.
Vandaag de dag is Rincon het centrum van het culturele toerisme op Bonaire. Waar Kralendijk zich richt op cruiseschepen en moderne restaurants, is Rincon de plek waar de geschiedenis leeft.
Toeristen trekken naar het dorp voor het jaarlijkse Dia di Rincon (30 april), een cultuurfeest vol traditionele dans, muziek (Simadan) en lokaal eten.
Ook buiten dit festival om trekt de geschiedenis hier bezoekers: de Cadushy Distillery, waar van lokale cactussen likeur wordt gemaakt, is gevestigd in een historisch pand en vormt een directe verbinding met het verleden.
Zout, slavernij en de iconische huisjes
In 1636 nemen de Nederlanders van de West-Indische Compagnie Bonaire over. Ze zochten geen goud, maar zout. Zout was essentieel voor het conserveren van voedsel en haring in Europa.
Het zuidelijke, vlakke deel van Bonaire bleek door de felle zon, de constante passaatwind en de natuurlijke lagunes de perfecte plek voor zoutwinning.
Voor dit zware werk werden op grote schaal tot slaaf gemaakte Afrikanen ingezet. Zij moesten in de brandende zon, met hun blote voeten in het bijtende zoute water, de zoutkristallen loshakken en in boten laden.
Dit hoofdstuk heeft het landschap van Zuid-Bonaire blijvend veranderd en vormt nu het meest gefotografeerde historische monument van het eiland: de slavenhuisjes bij de zoutpannen.
Deze kleine, stenen huisjes dienden als slaapplek voor de arbeiders die doordeweeks in de zoutpannen werkten en in het weekend naar hun gezinnen in Rincon liepen, een tocht van zeven uur te voet.
Voor bezoekers is een stop bij de witte en rode slavenhuisjes een indrukwekkende ervaring. De felgekleurde huisjes contrasteren scherp met de metershoge, witte zoutbergen en het roze water van de pekelmeren die er direct achter liggen.
Dit gebied is nog steeds een actieve zoutfabriek, maar trekt tegelijkertijd veel duikers en geschiedenisliefhebbers aan.
Van plantage naar nationaal park: Washington Slagbaai
In het noorden van Bonaire ligt het Washington Slagbaai National Park, een beschermd natuurgebied dat een kwart van het eiland beslaat. Voor natuurliefhebbers is dit de bestemming voor hiken, vogelspotten en snorkelen in baaien zoals Boka Slagbaai.
Dit natuurreservaat dankt zijn bestaan rechtstreeks aan de koloniale geschiedenis. Het park bestaat uit de twee grootste voormalige regeringsplantages van het eiland: Plantage Washington en Plantage Slagbaai.
Hier werd aloë vera gecultiveerd, houtskool gebrand en geiten gehouden voor de export naar Curaçao en Europa. Het opvallende, gele landhuis bij de ingang van het park deed destijds dienst als het administratieve hart van de plantage.
Toen de laatste private eigenaar, Albert Herrera, in de jaren 60 overleed, liet hij het land na aan de overheid met de voorwaarde dat het een beschermd natuurgebied moest worden.
De oude infrastructuur van de plantages, de onverharde wegen, de waterputten en de historische havenplek bij de baai waar schepen werden ingeladen, vormt nu het netwerk waar toeristen met hun terreinwagens overheen rijden.
Zonder het plantageverleden was dit gebied waarschijnlijk volgebouwd met hotels en resorts.
Nu kun je er rondrijden, mits je een goede pickup hebt.
De taal: Papiamentu
Geschiedenis zit niet alleen in stenen en landschappen, maar ook in de cultuur. Wie op Bonaire een supermarkt binnenloopt of praat met de lokale bevolking, hoort het Papiamentu.
Deze taal is een directe afspiegeling van de geschiedenis van de regio.
Papiamentu is een creoolse taal die is ontstaan uit de noodzaak voor communicatie tussen Afrikaanse slaven, Spaanse en Portugese handelaren, indianen en Nederlandse kolonisten.
In de taal herken je Spaanse werkwoorden, Portugese klanken, Nederlandse woorden en Afrikaanse grammaticastructuren.
In het huidige toerisme speelt de taal een rol in de unieke beleving van het eiland. Bonaire profileert zich niet als een standaard Amerikaans vakantie-oord, maar als een eiland met een eigen identiteit.
Termen zoals “Bon Bini” (Welkom) en “Dushi” (Schatje/Lekker) zijn overal terug te vinden in de marketing van hotels en lokale bedrijven. Het geeft bezoekers mee dat ze landen in een cultuur die, ondanks de banden met Nederland, een eigen koers vaart.
De impact op de moderne bezoeker
De geschiedenis van Bonaire bepaalt het ritme van het eiland. Het verklaart waarom de ezels door de straten van Kralendijk lopen, waarom het noorden een ongerept natuurpark is, en waarom die cultuur in Rincon zo diep geworteld is.
Toerisme op Bonaire draait om de combinatie van natuur en historie. Het nodigt uit om verder te kijken dan de koraalriffen en de stranden.
Wie de slavenhuisjes bezoekt, die rotstekeningen bekijkt en de verhalen van de plantages leert kennen, ziet Bonaire niet langer als zomaar een zonbestemming, maar als een eiland met een duidelijk verhaal.
